Sla inhoud over

Een joertenkamp in Mongolië

Van alle reizen die mij de afgelopen veertig jaar over alle streken van de aardbol voerden, is mij de reis naar Mongolië in 1971 het meest bijgebleven. Een fascinatie, al van jongs af aan, die geheel werd beantwoord door een langdurig verblijf in de Gobiwoestijn.

Onze nederzetting in de woestijn wordt beheerd door twee herdersfamilies, arats, van paardenhandelaren en fokkers. Van het half dozijn joerten worden er vier door hen bewoond, de vijfde tent doet dienst als opslag en pantry: vlees hangt te drogen, halve schapen naast bontjassen, paardentuig en zadels langs de wanden, stenen potten half in de aarde. De Mongoolse ijskast. De bodem van Mongolië is bedekt met permafrost. Dertig centimeter zand en daaronder de eeuwige ijskorst. In de zesde tent hebben we ons bivak opgeslagen. Een ruime joerte, vier bedden langs de wanden, kussens en dekens opgestapeld aan voeteneinden, zachte banken met stapels bontvellen. Op een kleine kast staan Chinese, rijkelijk met bloemen gedecoreerde emaillen waskom, lampetkan en thermosfles. Waterkannen. Op de grond in een cirkel tientallen brandende olielampjes gevoed met jakvet, waarvan de geur de tent vult. Het is al donker als wij voor het avondmaal naar de joerte van de paardenhandelaar stappen. Uit de andere joerten kringelt rook, buiten braadt een van de vrouwen ons avondeten op een oven. Een sissende lap schapenvlees wordt op een hete plaat omgekeerd. Een paar passen verder hangen lange repen vlees te drogen boven een vuurtje dat door onze kokkin steeds met een handvol kamelenmest gaande wordt gehouden.
We worden gastvrij, maar met zekere terughoudendheid begroet. Tijdens ons eten, emaillen borden op schoot, op banken langs de kant van de joerte, is de tent gevuld met zo'n twintig personen. Alle kinderen en bewoners komen naar ons kijken. Nieuwsgierige gezichten, zwijgend ons vreemdelingen aanstarend. Elke beweging, elke hap wordt ademloos gevolgd.
Een twaalftal kinderen in de leeftijd, schat ik, van vier tot veertien. In tegenstelling tot de stadsbewoners, die al om vijf uur 's middags eten, wordt er op het land laat in de avond gegeten, na negenen.
Het is gloeiend heet in de tent, door de brandende kachel in het midden, door het vele volk en door de olielampen die voor verlichting zorgen. Het schapenvlees is gemalen en verwerkt in de buuz. Het heeft de indringende en markante smaak van de ram.
Het eten in de woestijn de komende weken is sober en eentonig. Het dagelijkse menu in het joertenkamp bestaat meestal uit zuivelproducten in de ochtend, zoals yoghurt van karnemelk - aars, een scherpe kaas - khoeroed - en kefir met zwart brood en jakboter, of een moddervette soep van geit of schaap verdronken in rijst of mie. 's Middags en 's avonds worden ons deeggerechten albuuz en chuüchuur voorgezet. Al dan niet afgewisseld met zware soepen.
Het vlees dat wordt gegeten - schaap, geit, kameel, jak, marmot of rund - wordt eerst dagenlang boven houtvuur gedroogd, daarna gebakken, gestoomd of gekookt verwerkt in dun deeg. Het blijft taai, hard vlees vol zenen, waaruit alle smaak door de langdurige behandeling is verdwenen. Ook wordt alles van het dier gegeten, tot de endeldarm toe.
In de manier waarop de woestijn-Mongolen de gedroogde repen vlees eten - met een halvemaanvormig scherp snijwerktuig het tussen de lippen geklemde vlees afsnijden tot vlak voor hun mond - zie ik overeenkomsten met de Lappen, die hetzelfde doen met pemmikan.
Wat ik ook herken is de oeroem, een dikke vette roomkoek, gemaakt door honderden melkvellen, één voor één en laag voor laag met honing te bestrijken - zoals de methode van de Indische spekkoek - die gedroogd een harde koek vormen. Mijn moeder maakte het vroeger thuis. Van iedere pan gekookte melk verdween het vel in een stenen pot en er werd dunne honing overheen gegoten. Een langdurig, soms maandenlang werk, maar het resultaat is een hemelse smaak. Ook in de woestijn smaakt de oeroem die de vrouwen hebben gemaakt fantastisch. Soms ook krijgen we pasteitjes met een vulling van vlees en paddestoelen als een Russische pirogi opgediend. Het opgediende voedsel komt mij, door een Hongaarse moeder in een Oost-Europese enclave opgevoed, niet geheel onbekend voor.
Ik eet alles wat mij voorgezet wordt, maar mijn reisgenoten hebben er moeite mee. Met de dag groeit hun ontevredenheid en begint hun geklaag. Aan de kim doemt steeds vaker de fata morgana van een hamburger op.
Thee wordt ons voortdurend bijgeschonken, met behoedzame gebaren, de vrouw staat gereed om haar hand meteen terug te trekken, bang dat we erin zullen bijten. Belangstellend wordt elk gebaar van ons bestudeerd.
Alsof we van de maan komen.
Er wordt alleen Mongools gesproken en er ontstaat een hilarische spraakverwarring. Alles wordt ons aangereikt, tot de horens van een ram toe. Zodra onze borden schoon zijn, beginnen de aanwezige Mongolen ook te eten.
Voor het eerst drink ik de beroemde koemiss - melk van de merrie - die verzameld in grote stenen potten een week lang in de pantry heeft staan gisten. Een sprankelende melkdrank die op je tong natintelt. Een jonge prikkelende karnemelksmaak.
Licht alcoholisch als je het bij één kom houdt. Ik houd mijn kom op voor meer en bij de Mongolen breekt de glimlach door. Iedereen begint door elkaar te praten en men houdt vragend kommen omhoog, die gevuld worden uit een grote plastic container. Ik kan er niet genoeg van krijgen.
De kommen van Hasselblatt (fotograaf Peter van der Velde) en Der Otto (de rest van het gezelschap bestaat uit Oostenrijkse geleerden) drink ik ook leeg. Schweissfuss en ik worden totaal beschonken. Proberen in het Mongools te converseren, tot vrolijkheid van de aanwezigen. Het ijs is gebroken.

Het is een zwoele avond, en een frisse bries waait over de woestijn. Geen sterren aan de hemel. Als we eindelijk op de tast onze britsen hebben gevonden, breekt er een hels onweer los, die onze joerte doet schudden en het tentzeil doet wapperen. Een storm giert geselend rond de tent. Bliksemflitsen verlichten het interieur.

Jan Cremer

Jan Cremer (1940) is schilder, schrijver en globetrotter. De afgelopen jaren verschenen o.a. De Hunnen, Wolf, De Venus van Montparnasse en begin vorig jaar De Wilde Horizon. Alle bij De Bezige Bij.

Junior: Transiberie