Sla inhoud over

De tijd valt hier door een andere, langzamere zandloper (door Cees Nooteboom)

Nu ik dit schrijf ligt er sneeuw in Nederland. Toch is het nog maar een maand geleden dat ik over dat smalle, modderige pad naar het longhouse toe liep - en als ik mijn ogen dichtdoe en heel stil zit is het alsof er na verloop van tijd een ontploffing plaatsvindt: iets barst, breekt, knalt uit elkaar in honderd stukken en wat ik weer zie is de groene brand van het licht, en wat ik hoor het geklik, gegorgel, gelach van de vogels, en dat ijzeren, bijtende geluid alsof een heel krekelvolk op het elektriciteitsnet is aangesloten.

We zijn hier gebracht door een aantal vrienden die er al eerder geweest zijn, lopen nu in ganzenpas tot waar achter de wilde boomgroei het huis moet zijn, maar voor wij iemand gezien hebben, hebben kinderen ons al gezien.
Ze schreeuwen en springen op en neer, want het is de gewoonte dat bezoekers cadeaus meebrengen.
Het longhouse is een langwerpig gebouw op hoge palen, je komt erin door een steile boomstam op te klimmen waarin ruwe treden zijn uitgehakt. De kinderen dansen om ons heen, een groot ratelend geluid van losse bamboeplankjes, en we komen in een kerkachtig lange ruimte, de ruai. Eerst zie ik haast niets, flauw licht van buiten valt in vale banen naar binnen, dan zie ik hier en daar kleine groepjes mensen zitten, leunend tegen de rieten muren aan de linkerkant. Een moeder met een heel klein kindje, een oude apathische man, getatoeëerd, met bronzen oorbellen in lange uitgerekte oren. Later zie ik dat de jongere mannen dat niet meer hebben. Wij blijven een beetje verloren staan, wachtend op de dingen die komen gaan, en intussen probeer ik met mijn kijken de ruimte voor mijzelf te ordenen. Rechts een rij van een dertigtal gesloten deuren waarachter de bileks, de ruimtes voor de afzonderlijke families. Waar wij staan, op de grote gaanderij, is de openbare ruimte, zoiets als een dorpsplein, en links daarvan, alweer buiten, is nog zo'n lange gaanderij, niet overdekt, waar was te drogen hangt en vrouwen bezig zijn rijstkorrels te ziften in rieten manden. Een haan, vastgebonden aan een lang touw bij een van de bileks, kraait lang en hard, een paar scharminkelige honden beginnen te blaffen. Stilte, en dan weer stemmen van mensen, zacht, muzikaal. Iemand wijst naar boven en ik zie, vrijwel recht boven me aan een van de palen waar de constructie op steunt, een net van taai vezelig touw waarin zwartachtige schedels hangen als een gigantische verdorde druiventros. Nadat het lange tijd verboden was geweest, had in de Tweede Wereldoorlog niemand er eigenlijk nog overwegend bezwaar tegen dat de Iban op Japanners joegen, en zo zweven daar die geblakerde Japanse doodskoppen boven de vredige familietaferelen.
We worden genood bij het hoofd van het longhouse, de tuai ramah. Als iedereen al binnen is kan ik nog steeds de knoop in de veters van mijn sneakers niet los krijgen, en het is tegen de etiquette om met schoenen aan naar binnen te gaan. Het is heet, de knoop wil niet, de haan kraait, de hond blaft, de kinderen lachen, de schedels grijnzen, en met het gezicht van iemand die bij de koningin een kristallen wijnglas heeft omgestoten schuif ik eindelijk aan bij de receptie in de bilek van de tuai ramah. Alle anderen zitten al. Er wordt vriendelijk gezwegen. Het halfduister wordt verlicht door een carbidlamp. Wij zitten in een halve cirkel tegenover een halve cirkel Iban die het hoofd bij deze ceremonie flankeren. Eerst worden de cadeaus aangeboden, een doos met tennisballen voor de kinderen.
Ik voel me net een witte pater, maar de ballen worden met gejuich ontvangen. Dan krijgen we de polaroidfoto's te zien die vorige bezoekers hebben achtergelaten: steeds dezelfde hoofdman, glimlachend en waardig, steeds omringd door dezelfde sierlijke gestaltes, en steeds andere witkezen met een glimlach van goede wil op hun gezichten en hun te grote lichamen in moeizame houdingen over de harde, glanzende vloer gedrapeerd, nippend aan dezelfde onbestaanbare zoete drank die wij nu ook krijgen, of vol flagrant geëtaleerd genot zuigend op een toverbal.
Achter de hoofdman hangt zijn vreeswekkende trouwfoto in Europees kostuum, gemaakt in Marudi, en de opmars der beschaving wordt nog duidelijker op een foto van zijn zoon in de barbaarse tienerkleding van een paar jaar geleden, het toppunt van sophistication uit Singapore, schoenen met eindeloos hoge hakken om de fijne Aziatische gestalte naar Europese hoogte op te stoten, vergezeld van het verdere moderne lompenmateriaal uit de goedkoopste fabrieken van Hongkong of Taiwan dat het ongetwijfeld fraaie en gespierde lichaam verbergt en het ernstige Ibangezicht erboven belachelijk maakt. Altijd opnieuw ons dilemma: eerst de boel verpesten, en dan erover klagen.
Over de hele achterwand hangen veelkleurige affiches van de Maleise hartstichting waarop een vuurrood hart aan grote spanningen dreigt te bezwijken: Down with high bloodpressure!, ongeveer het laatste waar deze slanke oerwoudbewoners met hun dieet over te klagen zullen hebben. Maar misschien zie ik schimmen. Bezoekers als deze zijn, zeker verder in het binnenland, zeldzaam, die affiches zijn gewoon een prachtige wandversiering, niemand heeft de idiote kleding van op die foto's aan behalve wij, en wij zitten daar als aan een ver en vreemd hof naar die zacht sprekende, sirih kauwende, traag bewegende gestaltes te kijken alsof ze een geheim bezitten dat wij ergens, lang geleden in een of ander vreselijk warenhuis van de geschiedenis verloren hebben. De tijd valt hier door een andere, langzamere zandloper, straks verdwijnen we weer met ons ruimteschip, zij blijven achter en vergeten de anekdote die we zijn en leven hun leven dat door de wetten van de traditie, het oerwoud en de rivier bepaald wordt.
Met begerige blikken loeren we naar de voorwerpen, alles door handen gemaakt, van riet gevlochten, uit hout gehakt, manden, netten, stampers, parangs, kleden, ringen, maar onze begeerte is de begeerte van mensen, die nooit meer iets zelf maken, laat staan het versieren, en het slaat op ons terug als heimwee, en heimwee is het dat ons vergezelt als we weer als een ratelend gezelschap de kleine plankjes van de ruai aflopen, ieder zich afzonderend van de ander, alsof ieder een eigen herinnering wil meenemen, een definitief, bewaarbaar beeld, een jonge vrouw die water gaat halen bij de rivier en ons niet aankijkt, een man die een mes wet op een steen, het gescharrel van de varkentjes onder het longhouse, het geslis van de rijst die in manden gezeefd wordt, het harde buitenlicht dat naar binnen toe gefilterd en zachtaardig wordt.

In Marudi stappen we over op een longboat. Het wordt een wilde, urenlange tocht. Binnen in de boot zijn smalle zitplaatsen, de boot is overdekt, maar al gauw worden we van het smalle open achterdek verjaagd door een tropische regenbui. Als een grijze, loodrechte mist van water staat de regen om ons heen en verbergt de beide oevers. De snelheid is hoog, we snijden door het vlakke water als een mes, en de eenzame Iban die we in zijn perahuh tegenkomen wordt op en neer geslingerd als in een grote storm. Als de regen weer ophoudt zien we de oevers: twee groene weringen, muren van bos, nergens meer ophoudende slagordes van bomen die elkaar naar het leven staan. Op het dek liggen ook een paar zakken durians, grote, stekelige vruchten met een misselijkmakende geur. Elke keer als de regen weer begint, moeten we naar binnen en staan daar heel dicht op elkaar gedrukt en stil terwijl buiten dezelfde eentonigheid voorbijtrekt. Er is maar weinig te zien. Af en toe een longhouse waar zilveren vissen aan de lijn te drogen hangen, een steigertje waar iemand, terwijl de boot nauwelijks stilhoudt, op moet springen. Even zie je dan nog zo'n gestalte tussen het groen, dan is hij alweer verdwenen - de muur heeft zich gesloten, daarachter zijn mensen die ons zien en die wij niet zien. Kleine houten slepertjes met een lange sleep boomstammen diep uit het binnenland, een huisje op palen, hoog en vijandig riet, een enkele visser, de stilte die moest vallen als wij weer voorbij zijn, een kleine zwarte vogel die ik niet goed zien kan kruist ons met grote snelheid, such is life on the river.

Cees Nooteboom

Reisverhalen van Cees Nooteboom verschijnen in vele landen, zoals onlangs in Frankrijk, Italië en Spanje 'Hotel Nomade', dat nu ook in Engeland wordt uitgebracht. In Duitsland verschijnt Nootebooms verzameld werk in acht delen, in Nederland de dichtbundel 'Ontmoetingen' en een novelle. Nooteboom kreeg in 2003 in Duitsland de Goetheprijs voor zijn hele oeuvre.

Junior: Maleisie