China: een miljard Chinezen (Jan Brokken)
Als reizen de kunst is om te verdwalen, dan was mijn reis door China de meest geslaagde. Nergens heb ik me meer vreemdeling gevoeld dan daar.
Door: Jan Brokken
In Hongkong reserveerde ik bij een reisbureau voor Overzeese Chinezen hotelkamers in de steden die ik zou aandoen. Dat was aanzienlijk goedkoper en bovendien zou ik dan in hotels worden ondergebracht waar alleen Chinezen logeren. De treinreis van Hongkong naar Kanton duurde vier uur. Om twaalf uur precies stapte ik op het stationsplein in een taxi. Ik noemde de naam van mijn hotel, maar ik had net zo goed kunnen niezen; de chauffeur ving slechts gesis op. Ik liet hem mijn reservering zien, maar de naam was niet in Chinese karakters geschreven en die O en die V en die S zeiden hem niets. Hij informeerde bij zijn collega's.
Al gauw bogen twintig chauffeurs zich over mijn reservering. Geen van hen slaagde erin de letters te ontcijferen. Ze vroegen me de naam uit te spreken. Het Chinees wordt in Beijing op vier verschillende toonhoogtes gezongen en in Kanton op zes, maar hoe ik ook zong, het klonk altijd vals.
Over brede boulevards reden we in zuidelijke richting. Het wilde niet erg opschieten. Telkens wanneer de chauffeur gas wilde geven, schoof er een kluwen fietsers voor de bumper. We doorkruisten de ganse stad. Halverwege de middag kwamen we in een buitenwijk. Een kolossaal gebouw - hier moest het wezen. In de lounge zag ik louter witte gezichten. Toen begreep ik wat het debat tussen de taxichauffeurs had opgeleverd: ik was naar een hotel gereden waar louter westerlingen logeren. Ik toonde mijn reservering aan de receptioniste. Ze keek er niet eens naar. Ik moest in een ander hotel wezen. Maar welk? Ze belde met haar chef. Hij verscheen aan de balie en zeker een half uur lang draaide hij het papier voor zijn ogen. Hij hield het op zijn kop, hij bekeek het van opzij, maar het bleef voor hem een boodschap van een andere planeet. Hij ontbood de directeur van het hotel. Ook hij slaagde er niet in mijn reservering te ontcijferen. Maar de directeur had een lumineus idee: een Duitse handelsdelegatie was in zijn hotel neergestreken, met een tolk, en die mevrouw zou me kunnen helpen. Na zeven telefoontjes was de dame getraceerd. Met een paar fraai gekalligrafeerde karakters op een papiertje stapte ik in een taxi. De chauffeur reed me naar het centrum van de stad terug. Tegen de avond bereikte ik ten slotte mijn hotel, dat op tien minuten lopen van het station bleek te liggen.
De volgende morgen stond ik om half zes op, uitgehongerd. Waar de eetzaal zich bevond, kon ik horen: geen luidruchtiger volk dan de Chinezen, zeker wanneer ze eten. Maar toen ik de eetzaal binnenstapte, viel er een stilte. Zeshonderd Chinezen staarden me aan. Ik werd door een ober naar een tafel in het midden van de zaal geleid. Ware ik koningin Beatrix geweest, ik zou niet op meer aandacht hebben mogen rekenen. Zes mandjes werden voor me neergezet. Ik proefde van een in mie gewikkelde garnaal. Zeshonderd Chinezen keken toe hoe ik de stokjes hanteerde. Ik knikte instemmend. Waarop zeshonderd Chinezen in een luid gelach uitbarstten. Deze man mocht dan wel van Mars komen, hij liet het zich smaken. Wel vreemd natuurlijk dat hij om koffie vroeg. Koffie, dat was weer iets van een andere planeet. Met groene thee spoelde ik de garnalen weg, de gehaktballetjes, de omelet met champignons, de rijst. En boerde; ik vertoefde per slot van rekening onder Chinezen.
Ik liep Kanton in en neuriede het liedje van Jaques Dutronc. Ik zou het later in Xian neurien, in Beijing, op de Muur. Cinq cent million de Chinois. Et moi, et moi, et moi? Inmiddels waren het er al een miljard. Maar terugkijkend associeer ik China niet alleen met bussen die voller zijn dan sardineblikjes, met straten waar je over de hoofden kunt lopen en boulevards waar zes rijen bellende fietsers zeven rijen slomerikken passeren, die al even druk bellen. Nergens heb ik een intensere stilte gehoord dan toen ik vanuit Kweilin de boot nam en de Lijiang afvoer, de Perzik Bloem Rivier. Peervormige bergen in de mist. Vissers die roerloos naar het water staarden. De geur van kamperfoelie, van wilde liguster, van seringen. En vooral het gevoel ver weg te zijn. Al bijna in de hemel.
Na die tocht at ik op een boot die in Kweilin lag afgemeerd. Kip? Vis? Opnieuw bleek mijn Chinese woordenboekje van nul en generlei waarde: ik zong niet zuiver. De kok zocht in mijn binnenzak naar mijn portemonnaie. Hoeveel wilde ik uitgeven? Hij nam me mee naar de kombuis; ik kon uit zeven verschillende soorten vis kiezen. Hij maakte er vier voor me klaar. Alleen al vanwege die maaltijd zou ik nog wel eens naar Kweilin willen reizen. Of naar Beijing. Het Fang Shang in het Beihai-Park, naast de Verboden Stad. Het restaurant serveert gerechten uit de imperiale keuken. De maaltijden zijn ruitvormig opgebouwd. Eén gerecht, twee gerechten, vier, twee, en een nagerecht. De smaken zijn op elkaar afgestemd, tegenover een zout gerecht staat een zoet, tegenover een gekruid een mild. Dezelfde harmonie die ik 's morgens vroeg zag, wanneer oude mannen hun ochtendgymnastiek op straat deden en balancerend op één voet naar evenwicht zochten. Hoe rustig word je van een met zoveel zorg opgebouwde maaltijd. Wanneer je fijnzinnigheid proeft, gaat ook je geest op de allerkleinste details letten.
Maar in Beijing zocht ik wel anderhalve dag naar mijn hotel, om tenslotte veertien kilo-meter uit het centrum in het Friendship Hotel terecht te komen. Fietsen. Was dat niet de beste manier om de Chinese stad te leren kennen? In Beijing huurde ik een fiets. Een politiebusje moest me naar het hotel terugbrengen omdat er al weer vierhonderd straten waren bijgekomen sinds de jongste kaart van Beijing was gedrukt. Ditmaal had ik wel mijn voorzorgsmaatregelen genomen, ik had een luciferdoosje met de naam van het hotel erop. En toch. Ik mocht dan wel eens gek van vermoeidheid roepen Een miljard Chinezen. En ik? En ik? En ik?, toen ik eindelijk mijn koffer in het Friendship hotel uitpakte, werd er een boeket bezorgd en een schaal met fruit. Met excuses voor het foutje in de reservering. En toen ik vertrok kreeg ik een porseleinen vaas die zo kitscherig was dat ik hem in een handdoek wikkelde en meenam in de trein naar Moskou - hij brak bij de grenscontrole in Mongolië. Zouden ze nog rijden, die door stoomlocomotieven getrokken treinen met stoere rode vlaggen naast de schoorsteen? En zou de eerste klasse nog soft sleeper heten omdat er in een communistische maatschappij geen klassen bestaan? In één van die treinen, tussen Xian en Beijing, las ik Blaises Cendrars. China, dichtte hij, die andere kant van de maan.
Er bestaan nog steeds geen klassen in de Chinese treinen, zoals Jan Brokken terecht opmerkt. Maar wel verschillen! Djoser maakt gebruik van de zogenaamde 'hard sleepers', comfortable compartimenten met bedden, die - in tegenstelling tot de soft sleepers - niet afgesloten zijn. De wat langere Nederlanders kunnen hier hun voeten uit het bed laten steken en hoeven dan niet opgevouwen te slapen. Het reizen door China biedt een unieke kans kennis te maken met de Chinezen en hun gebruiken per trein.
Aan de informatie in deze artikelen en verhalen kunnen geen rechten ontleend worden.
