Sla inhoud over

Digitaal fotograferen op reis 2

Nieuwe omstandigheden en ervaringen, zoals op reis, willen we zo realistisch mogelijk vastleggen. Dat lukt niet altijd even goed. De kwaliteit van de beelden valt tegen, of ‘het komt niet goed over’. Waar ligt dat aan en wat kunnen we beter doen of laten?

door Mich Buschman


Camera’s maken geen foto’s, mensen doen dat. Zij bedienen die apparaten. Een vereiste voor ‘het betere beeld’ is dus dat je je camera kent. Met de digitale camera kun je kosteloos oefenen, doe dat vóór die unieke reis, bestudeer de mogelijkheden en functies. Bekijk de testopnamen niet alleen op het LCD-dataschermpje, maar voer ze in de computer in en bekijk ze groot op het beeldscherm. Zo zie je de kleuren en contrasten beter en ook die kleine storende zaken, waar we ons naderhand aan kunnen ergeren. De betere opnamen ontstaan als je wat meer tijd neemt en het (zoeker)beeld goed aftast. Ga kritisch na wàt er allemaal te zien is en vraag je af of dat inderdaad gewenst is. De stappen hieronder leiden tot aanzienlijk betere foto’s. Bovendien kun je ze thuis al trainen.


1. Selecteren

Maak allereerst een bewuste keus: wat wil je vastleggen en wat niet. Het overzicht van het marktplein of die twee kooplieden vooraan die druk gebarend staan te onderhandelen? Overzichten worden vaak zoekplaatjes met veel beeldelementen die te klein zijn om de aandacht te trekken! De kern is meestal interessanter. Ga daar dus naar op zoek ... èn er op af!

2. Standpunt
De beste foto’s worden gemaakt vanaf een opmerkelijk standpunt. Daardoor vallen ze op tussen de standaardplaatjes en houden ze de aandacht langer vast. Ga vooral dichter bij het onderwerp staan. Pas als dat niet mogelijk is, zoom je er op in. Soms ligt het betere standpunt een meter naar rechts: om een storend object vooraan of een hinderlijke achtergrond te vermijden, zoals het bekende voorbeeld van de lantaarnpaal die uit iemands hoofd ‘groeit’. Beroepsfotografen zie je daarom vaker naar links of rechts bewegen, of iets hoger of lager gaan staan. Stuur de beleving door details in de opname te betrekken of juist weg te laten. De twee levendige kooplieden vormen een interessanter beeld met de koopwaar onscherp op de voorgrond. Achter hen, weer onscherp, bijvoorbeeld de donkere ingang van de bazaar in plaats van allerlei afl eidende, heldere en kleurige elementen. Soms moet je voor het beste standpunt een stukje (om)lopen.


3. Het kader

Wat laat je in het beeld toe: veel omgeving of juist zo min mogelijk? Groothoeklenzen zijn gulzig: je neemt veel op, maar dat wordt klein afgebeeld, vaak ook met veel lucht of ondergrond. Ga je dichterbij staan om het onderwerp groter af te beelden, dan verandert ook je standpunt en ‘het perspectief ’. Met een groothoek van dichtbij opnemen, leidt tot dynamische beelden: je staat er midden in! Groothoeklenzen hebben veel scherptediepte zodat het beeld van voren naar achteren scherp wordt weergegeven. Met telelenzen sluit je de omgeving af van het onderwerp, je haalt het onderwerp naar voren; licht het er uit. De telelens heeft een korte scherptediepte, daardoor steekt het onderwerp scherp af tegen een wazige, onscherpe achtergrond.


4. Het moment

Vaak moet je het beste moment afwachten. In het spel van loven en bieden grijpt een van de kooplieden vertwijfeld naar het hoofd. Een cruciaal moment in het gespeelde drama tussen het tweetal. Dat is een foto waard. Soms moet je een beter lichtmoment afwachten, bijvoorbeeld later terugkeren als het laagstaande zonlicht in een anders donkere steeg schijnt.


ISO-instelling

Een belangrijke instelling op je digitale camera is die van het ISO-getal. Met een laag ISO-getal (100 of 200) maak je kwalitatief de beste opnamen, maar alleen als er veel zon- of daglicht voorhanden is. De camera stelt dan een zo snel mogelijke sluitertijd in, bijvoorbeeld 1/500 seconde. Is er (te) weinig licht, dan moet de camera een 1/60 seconde instellen. Dat maakt de kans op bewegingsonscherpte in de opnamen groot. Ga standaard uit van ISO 200 of 400. Is er weinig licht en wil je niet fl itsen om de sfeer beter vast te houden, kies dan ISO 800 of 1600. Houd er bij die laatste waarde rekening mee dat er in donkere beeldgedeelten vaak ‘ruis’ ontstaat.


De belichting

Bij volautomatische camera’s, zoals digicompacts, kun je niets instellen. Dat voorkomt fouten, maar je kunt dus ook niets creatief beïnvloeden. Bij de spiegelrefl excamera kun je de belichting: de sluitertijd en het diafragma, zelf instellen. Daarover een volgende keer meer.


Afdrukken

Een deel van het succes hangt af van de print(er)kwaliteit. Wees kritisch op wat er over de toonbank gaat. Is de foto te licht of te donker? Zijn de kleuren vol of flets? Accepteer niet zomaar wat er ligt, vraag naar het waarom van onvolkomenheden en of dat overgedaan kan worden. Thuisprinters zorgen natuurlijk dat zij hun kleurbeheer goed op orde hebben.