Onder de sterren praten over de sterren
Van heinde en ver komen vrienden me groeten als de Landrover op de savanne in Samburuland is verschenen. “Hoe was het op je verre reizen?” Ik vertel over het ongeluk met de auto bij de Karimojong, maar daarvoor bestaat geen interesse. “Hoe is het in Nairobi met je kinderen en vrouw?”, vraagt Busuké, de moeder van mijn boezemvriend Lemelen. Ze drukt mijn handen in de hare en dankt God. “Welkom thuis mijn zoon, Nkai zorgt voor ons.”
Kasao is al een tijdje op verlof in de kraal. Hij komt aanslenteren met een groep morans, krijgers. Niet gehinderd door het leeftijdverschil stapt hij op me af. Hij heeft geen lang haar, zoals zijn medekrijgers. Met een vaste baan kan hij zich het afmattende werk niet permitteren om de perfecte schoonheid te creëren. Het uren prutsen met gevlochten haren en kleurrijke kralen kost hem te veel tijd.
Het begint al te schemeren. Kinderen grijpen moedergeiten bij de achterpoten en de vrouwen melken hen in een kalebas. Ze zingen er een liedje bij. Daarna mogen de pasgeboren geitjes uit hun hokjes. Nog wankel op de pootjes en blèrend om hun moeder dwarrelen ze de kudde in en schieten op de uiers af. Aan een lange paal wappert wild een versleten lendendoek. Het straffe geluid dient om wilde beesten af te schrikken. Sinds enkele weken houden zich vele roofdieren in de buurt op. Gisteren nog heeft een leeuw een kameel aangevallen. “Jongeman, ga jij eens kijken waar de ezels zijn”, commandeert een oudere man een jongen met grijze omslagdoek, “ik heb ze heel de dag niet gezien. Wel zag ik verse sporen van hyena's. De ezels moeten voor het donker binnen zijn.” De koeien ontbreken, die bevinden zich vijf dagen lopen verderop, in de bergen waar nog voldoende gras is. Geruisloos, met de neuzen hoog de lucht in, tjoeken de kamelen naar hun vaste plaatsje binnen de kraal.
Het gezag der stamoudsten geniet nog aanzien
Ik begin de auto uit te laden en zet de tientallen kilo's suiker naast het voertuig. Zonder dankbetuiging worden de spullen in ontvangst genomen. Een beleefd “dank je” heb ik in al mijn jaren met de Samburu nauwelijks gehoord en zeker niet van de trotse morans. Mensen die voor elkaar zorgen, zeggen niet steeds dankjewel. Erkentenis toon je door trouw, door solidariteit. Samburu zijn het tegenbeeld van de Karimojong. Ze vechten niet onderling, het gezag der stamoudsten geniet nog aanzien en onderlinge geschillen worden in harmonie beslecht. Vriendschappen zijn voor het leven, echtscheidingen, bloedvetes, en veediefstallen vormen een uitzondering. Ze zijn verenigd in een bloedbroederbond. Ieder vormt een schakel. Een moran zal nooit van de stad naar zijn kraal reizen zonder pakken suiker, tabak, waspoeder, maïsmeel en kindersnoepjes mee te slepen. Thuis wordt de inhoud verdeeld in talrijke hoopjes, in stukjes krantenpapier gebonden en gedistribueerd. Een Samburu leeft voor en door het collectief, tezamen als vijf vingers aan één hand.
Onverbrekelijke vriendschap
Ik plof neer op een stoeltje bij de hut van Lemelen. Hij is mijn anker bij de Samburu. Al vele jaren. We bouwden een o-sutwa op, een onverbrekelijke vriendschap. In zijn kraal kan ik uren zitten lullen onder een boom. Een behaaglijk geluk, nergens voel ik me zo thuis als in Samburuland. Soms word ik geplaagd door tegenstrijdige gevoelens. Dan worden die nauwe banden mij te veel, ik voel me omsingeld, word claustrofobisch, ik wil me losrukken. Nooit, nooit ben ik alleen, nooit kan ik zeggen: dit is van mij. Doe ik dat wel, dan ben ik niet in orde. En altijd maar dat praten, praten over niets of iets, over koeien en kinderen. Die avond vertel ik over de Sahara. Onder de sterren praten we over de sterren.
We hurken tegen de muur van een onderkomen van koeienstront. De mannen buiten, de vrouwen op gehoorafstand binnen. Gescheiden maar naast elkaar. “Kennen jullie het sterrenbeeld de kamelenpoot?”, vraag ik in de hoop met nieuws te komen. “Natuurlijk”, zegt Lemelen. De stokken van alle mannen wijzen de lucht in. Net als de Tamasheq zien zij aan het firmament een man die een vrouw slaat. Bij de Samburu staat aan de hemel ook een man, gevolgd door een vrouw met hond. “Als die ster, die felwitte daar, als die vroeg in de avond verschijnt, krijgen we regen”, vertelt een oude heer.
Vriendschap, vrede en navelstreng
Tot een driftig windje rond middernacht de hitte van de dag verjaagt, wisselen we verhalen uit. Ik besluit met het verhaal over het kwijnende ouderlijke gezag bij de Karimojong. De tongen klikken misprijzend. “Gebeurt dat bij ons, dan vergaat de wereld. Zonder respect voor ouderen, zonder eenheid, valt onze stam uiteen”, zegt Lemelen. “Aja jai jai jaiii”, klinkt het binnen in de hut. Bij het ochtendgloren wekken de geiten ons. De morans beloven er vandaag een te slachten voor mijn goed verlopen reizen. De bushbarbecue vindt plaats buiten de kraal, want morans eten niet in het aangezicht van vrouwen. Peshon knijpt de snuit dicht van het tegenstribbelende beest en zet het mes in de nek. Bloed gulpt de slagader uit. Om beurten hurken de morans en drinken de romige rode drab van het stervende beest.
Ze herbevestigen daarmee hun o-sutwa, wat drie betekenissen heeft: vriendschap, vrede en navelstreng. Behoedzaam wordt de geit ontleed. De darmen, de blaas, de huid, alles krijgt een nuttige bestemming. De eerste stukken vlees worden op het houtvuurtje gelegd. De morans praten over hun speurtochten naar echtgenotes. Het einde van hun krijgerschap nadert en allen dienen in de komende maanden een vrouw te bemachtigen. Kasao staart afwezig voor zich uit. “Hé moderne moran, kun jij geen vrouw meer vinden?”, sart Peshon. “Dat moet jij zeggen”, bijt Kasao van zich af, “jij waagde het te slapen met een meisje aan wie een moran al kralen had geschonken”. Die is raak. Een uitbarsting van hoongelach. Peshon had veel problemen veroorzaakt door met haar te slapen. Door het schenken van de kralen was het meisje al gereserveerd geweest, hij had van haar moeten afblijven. Ik wil er meer over weten. De toon van het gesprek wordt serieus. Het gebeurde een jaar geleden. “Wij wilden geen wraak”, verklaart Peshon plechtig. Hij hangt de geitenkop aan een tak in de boom. “Iemand van je eigen stam of clan mag je niet doden. Doe je dat wel, nou dan ben je minder waard dan een hond.” Zijn wangedrag leidde tot een fikse ruzie tussen zijn familie en die van de benadeelde moran. Tevergeefs belegden de stamoudsten vredesbesprekingen. Er vielen slachtoffers. “We wilden ze een aframmeling geven, dat was alles.” Hij drukt de keutels uit de darmen, als knikkers rollen ze weg. “Voor ons eer-gevoel. Iemand gooide een speer en die ging door de nek van mijn broer. Een andere speer raakte de borst van mijn vriend.” Er vielen twee doden. Peshon zet zijn tanden in het eerste stuk halfgaar vlees. Lemelen voegt zich bij ons. Hij kijkt afkeurend. Moord komt onder de Samburu nauwelijks voor. “Wij leren onze kinderen nooit te haten en altijd vergiffenis te schenken, palakinoto, anders kunnen wij Samburu onze broederschap niet handhaven.” Bij mis- drijven als moord delen de stamoudsten zware straffen uit. Ze kunnen de schuldigen verbannen en al hun koeien confisqueren. Het in beslag genomen vee wordt deels aan de familie van het slachtoffer geschonken, deels verspreid onder de gemeenschap. Als de familie van de moordenaar onmiddellijk schuld bekent en koeien aanbiedt, keert de eenheid terug. De stamoudsten veroordeelden de moran die uit zelfverdediging twee slachtoffers had gemaakt. Een Samburu die een Samburu doodt, dat valt niet te vergeven. Nog vóór de ouderen hun oordeel velden, ging hij in ballingschap.
Lemelen en ik laten de morans achter bij het smeulend vuurtje. Hij plukt de kop van het geslachte beest uit de boom en bindt die aan zijn riem. Voor het avondeten van zijn vrouw en kinderen. “Ik hoop dat de morans naar de ouderen blijven luisteren”, zegt hij, “ons gezag is een voorwaarde voor overleving van de Samburu.” Er klinkt twijfel in zijn stem. Hij heeft gemerkt dat morans de afgelopen maanden trouwden zonder toestemming te vragen aan de ouderen.
Koert Lindijer
Koert Lindijer (1953) is sinds 1983 Afrikacorrespondent voor NRC Handelsblad in Nairobi, Kenia. Hij was ook medewerker van The Independent en The Economist. Hij publiceerde eerder ‘Een kraal in Nairobi’ en ‘Bach to Rwanda’. Begin 2003 verschijnt ‘Bittereinders’ bij Uitgeverij Atlas over nomaden in Afrika.
Het begint al te schemeren. Kinderen grijpen moedergeiten bij de achterpoten en de vrouwen melken hen in een kalebas. Ze zingen er een liedje bij. Daarna mogen de pasgeboren geitjes uit hun hokjes. Nog wankel op de pootjes en blèrend om hun moeder dwarrelen ze de kudde in en schieten op de uiers af. Aan een lange paal wappert wild een versleten lendendoek. Het straffe geluid dient om wilde beesten af te schrikken. Sinds enkele weken houden zich vele roofdieren in de buurt op. Gisteren nog heeft een leeuw een kameel aangevallen. “Jongeman, ga jij eens kijken waar de ezels zijn”, commandeert een oudere man een jongen met grijze omslagdoek, “ik heb ze heel de dag niet gezien. Wel zag ik verse sporen van hyena's. De ezels moeten voor het donker binnen zijn.” De koeien ontbreken, die bevinden zich vijf dagen lopen verderop, in de bergen waar nog voldoende gras is. Geruisloos, met de neuzen hoog de lucht in, tjoeken de kamelen naar hun vaste plaatsje binnen de kraal.
Het gezag der stamoudsten geniet nog aanzien
Ik begin de auto uit te laden en zet de tientallen kilo's suiker naast het voertuig. Zonder dankbetuiging worden de spullen in ontvangst genomen. Een beleefd “dank je” heb ik in al mijn jaren met de Samburu nauwelijks gehoord en zeker niet van de trotse morans. Mensen die voor elkaar zorgen, zeggen niet steeds dankjewel. Erkentenis toon je door trouw, door solidariteit. Samburu zijn het tegenbeeld van de Karimojong. Ze vechten niet onderling, het gezag der stamoudsten geniet nog aanzien en onderlinge geschillen worden in harmonie beslecht. Vriendschappen zijn voor het leven, echtscheidingen, bloedvetes, en veediefstallen vormen een uitzondering. Ze zijn verenigd in een bloedbroederbond. Ieder vormt een schakel. Een moran zal nooit van de stad naar zijn kraal reizen zonder pakken suiker, tabak, waspoeder, maïsmeel en kindersnoepjes mee te slepen. Thuis wordt de inhoud verdeeld in talrijke hoopjes, in stukjes krantenpapier gebonden en gedistribueerd. Een Samburu leeft voor en door het collectief, tezamen als vijf vingers aan één hand.
Ik plof neer op een stoeltje bij de hut van Lemelen. Hij is mijn anker bij de Samburu. Al vele jaren. We bouwden een o-sutwa op, een onverbrekelijke vriendschap. In zijn kraal kan ik uren zitten lullen onder een boom. Een behaaglijk geluk, nergens voel ik me zo thuis als in Samburuland. Soms word ik geplaagd door tegenstrijdige gevoelens. Dan worden die nauwe banden mij te veel, ik voel me omsingeld, word claustrofobisch, ik wil me losrukken. Nooit, nooit ben ik alleen, nooit kan ik zeggen: dit is van mij. Doe ik dat wel, dan ben ik niet in orde. En altijd maar dat praten, praten over niets of iets, over koeien en kinderen. Die avond vertel ik over de Sahara. Onder de sterren praten we over de sterren.
We hurken tegen de muur van een onderkomen van koeienstront. De mannen buiten, de vrouwen op gehoorafstand binnen. Gescheiden maar naast elkaar. “Kennen jullie het sterrenbeeld de kamelenpoot?”, vraag ik in de hoop met nieuws te komen. “Natuurlijk”, zegt Lemelen. De stokken van alle mannen wijzen de lucht in. Net als de Tamasheq zien zij aan het firmament een man die een vrouw slaat. Bij de Samburu staat aan de hemel ook een man, gevolgd door een vrouw met hond. “Als die ster, die felwitte daar, als die vroeg in de avond verschijnt, krijgen we regen”, vertelt een oude heer.
Vriendschap, vrede en navelstreng
Tot een driftig windje rond middernacht de hitte van de dag verjaagt, wisselen we verhalen uit. Ik besluit met het verhaal over het kwijnende ouderlijke gezag bij de Karimojong. De tongen klikken misprijzend. “Gebeurt dat bij ons, dan vergaat de wereld. Zonder respect voor ouderen, zonder eenheid, valt onze stam uiteen”, zegt Lemelen. “Aja jai jai jaiii”, klinkt het binnen in de hut. Bij het ochtendgloren wekken de geiten ons. De morans beloven er vandaag een te slachten voor mijn goed verlopen reizen. De bushbarbecue vindt plaats buiten de kraal, want morans eten niet in het aangezicht van vrouwen. Peshon knijpt de snuit dicht van het tegenstribbelende beest en zet het mes in de nek. Bloed gulpt de slagader uit. Om beurten hurken de morans en drinken de romige rode drab van het stervende beest.
Ze herbevestigen daarmee hun o-sutwa, wat drie betekenissen heeft: vriendschap, vrede en navelstreng. Behoedzaam wordt de geit ontleed. De darmen, de blaas, de huid, alles krijgt een nuttige bestemming. De eerste stukken vlees worden op het houtvuurtje gelegd. De morans praten over hun speurtochten naar echtgenotes. Het einde van hun krijgerschap nadert en allen dienen in de komende maanden een vrouw te bemachtigen. Kasao staart afwezig voor zich uit. “Hé moderne moran, kun jij geen vrouw meer vinden?”, sart Peshon. “Dat moet jij zeggen”, bijt Kasao van zich af, “jij waagde het te slapen met een meisje aan wie een moran al kralen had geschonken”. Die is raak. Een uitbarsting van hoongelach. Peshon had veel problemen veroorzaakt door met haar te slapen. Door het schenken van de kralen was het meisje al gereserveerd geweest, hij had van haar moeten afblijven. Ik wil er meer over weten. De toon van het gesprek wordt serieus. Het gebeurde een jaar geleden. “Wij wilden geen wraak”, verklaart Peshon plechtig. Hij hangt de geitenkop aan een tak in de boom. “Iemand van je eigen stam of clan mag je niet doden. Doe je dat wel, nou dan ben je minder waard dan een hond.” Zijn wangedrag leidde tot een fikse ruzie tussen zijn familie en die van de benadeelde moran. Tevergeefs belegden de stamoudsten vredesbesprekingen. Er vielen slachtoffers. “We wilden ze een aframmeling geven, dat was alles.” Hij drukt de keutels uit de darmen, als knikkers rollen ze weg. “Voor ons eer-gevoel. Iemand gooide een speer en die ging door de nek van mijn broer. Een andere speer raakte de borst van mijn vriend.” Er vielen twee doden. Peshon zet zijn tanden in het eerste stuk halfgaar vlees. Lemelen voegt zich bij ons. Hij kijkt afkeurend. Moord komt onder de Samburu nauwelijks voor. “Wij leren onze kinderen nooit te haten en altijd vergiffenis te schenken, palakinoto, anders kunnen wij Samburu onze broederschap niet handhaven.” Bij mis- drijven als moord delen de stamoudsten zware straffen uit. Ze kunnen de schuldigen verbannen en al hun koeien confisqueren. Het in beslag genomen vee wordt deels aan de familie van het slachtoffer geschonken, deels verspreid onder de gemeenschap. Als de familie van de moordenaar onmiddellijk schuld bekent en koeien aanbiedt, keert de eenheid terug. De stamoudsten veroordeelden de moran die uit zelfverdediging twee slachtoffers had gemaakt. Een Samburu die een Samburu doodt, dat valt niet te vergeven. Nog vóór de ouderen hun oordeel velden, ging hij in ballingschap.
Lemelen en ik laten de morans achter bij het smeulend vuurtje. Hij plukt de kop van het geslachte beest uit de boom en bindt die aan zijn riem. Voor het avondeten van zijn vrouw en kinderen. “Ik hoop dat de morans naar de ouderen blijven luisteren”, zegt hij, “ons gezag is een voorwaarde voor overleving van de Samburu.” Er klinkt twijfel in zijn stem. Hij heeft gemerkt dat morans de afgelopen maanden trouwden zonder toestemming te vragen aan de ouderen.
Koert Lindijer
Koert Lindijer (1953) is sinds 1983 Afrikacorrespondent voor NRC Handelsblad in Nairobi, Kenia. Hij was ook medewerker van The Independent en The Economist. Hij publiceerde eerder ‘Een kraal in Nairobi’ en ‘Bach to Rwanda’. Begin 2003 verschijnt ‘Bittereinders’ bij Uitgeverij Atlas over nomaden in Afrika.