Sla inhoud over

Een reisverhaal van Yvonne Kroonenberg

Ongerept Indonesië

Het is niet gemakkelijk een route te bedenken die je ergens brengt waar andere toeristen niet komen en het is maar de vraag of het werkelijk leuk is.

Mijn collega kwam terug van vakantie. Ze was naar Griekenland geweest. "Leuk," knikte ik, maar ze was nog niet uitgepraat. Ze had een dorp ontdekt aan de Ionische kust, vlak in de buurt van Agios Stefanos. Het lag op een paar kilometer van een ongerept wit strand, waar vrijwel geen toeristen kwamen. Op zondagmiddag zag je er wel eens een gezin. Dat was dan de burgemeester van het dorp, die met zijn familie kwam picknicken. In het dorp was maar één hotel, eigenlijk meer een pension en er logeerden uitsluitend Grieken. Niet één Nederlander was mijn collega er tegengekomen. Ze was er bepaald trots op.
Heel Nederland reist dat het een aard heeft, maar een reis is pas goed als je geen andere Nederlanders bent tegengekomen, het liefst helemaal geen andere toeristen.
Als dat lukt, ben je niet langer toerist maar een Reiziger die de wereld leert kennen.
Het is de droom van iedere toerist.
In ongerepte vissersdorpjes wil hij samen met de oude mannen onder de waringinboom zitten. In de namiddag wil hij naar de haven slenteren om de houten schepen te zien binnenvaren en als de avond valt, wil hij in het oude hotel, dat nog uit de koloniale tijd stamt en waar ze al die jaren niets aan hebben veranderd behalve de installatie van een airconditioner, een glas bier drinken. Ongelooflijk, dat ze in zo'n afgelegen oord zulk lekker bier hebben!
Het is niet gemakkelijk een route te bedenken die je ergens brengt waar andere toeristen niet komen en het is maar de vraag of het werkelijk leuk is.
Een aantal jaren geleden ging ik naar Indonesië. Ik kocht een ticket naar Jakarta en kon kiezen of ik in Bangkok of op Sumatra een tussenlanding wilde maken. Ik koos Sumatra, omdat ik dan de gelegenheid had het Tobameer te bezoeken. Dat deden veel reizigers. In het hotel aan het Tobameer zag ik twee jonge meiden uit Almelo, die ik op Schiphol al bij de incheck had zien staan. Ze logeerden in een naburig hotel, vertelden ze. Over een week zouden ze weer opstappen en verder vliegen naar Jakarta. Dat was precies wat mijn reisgenoot en ik ook van plan waren.
Na het verblijf op Sumatra, vlogen we naar Java, bezochten de tuinen van Bogor, namen de bus naar Bandung, vandaar de trein naar Djokjakarta en overal, overal, was Almelo ook. En Schijndel. En het Amerikaanse stel dat we in Padang zo'n ruzie hadden zien maken op het busstation. En die merkwaardige jongeman met die bril en dat vieze truitje dat hij in Medan ook al aanhad.
Alsof we in een virtuele greppel liepen en er niet uit konden, bewoog de stoet toeristen zich langs de kunstschatten van Java, langs de Bromovulkaan, waar je de zon koraalrood kon zien opkomen, als je de moeite nam vroeg op te staan. We zagen onze nieuwe kennissen bij de Borubudur, in het Kraton van Djokja, bij het Prambanan-complex en later weer in Bayat, bij het graf van de negen Walis.
"Zullen we zomaar ergens gaan rondkijken?" stelde mijn reisgenoot voor. We zaten in een bus die ons naar de zuidkust van Java zou brengen. We gebaarden naar de man die de kaartjes verkocht dat we in het volgende dorp wilden uitstappen. De man keek ons giechelend aan. Hoezo uitstappen? Maar wij hielden vol: wij gingen niet mee naar het strand van Parangtritis, wij gingen op eigen houtje een Indonesisch avontuur beleven. Op een verlaten dorpsplein bleef de bus staan. Wij pakten onze bagage en zwaaiden vriendelijk naar de toeristen die hun reis voortzetten.
"Zo," zei mijn metgezel, "nu gaan we eerst wat eten."
Maar er was geen restaurant. Mensen zag je ook nergens. Een zandweg voerde ons langs een compound waar je niet zonder huisvredebreuk in kon en eindigde in een uitgestrekte sawa. Daar waren de mensen, ze waren aan het werk. Voorovergebogen stonden ze temidden van de rijstplantjes. Ze hadden geen tijd om toeristen bezig te houden. We drentelden nog een poosje rond. Even buiten het dorp stond een dikke boom, ongetwijfeld een waringin. Er stond geen bankje bij en er zaten ook geen oude mensen mysterieuze Oosterse wijsheden te vertellen.
"Zullen we maar weer naar de bushalte gaan?" zei ik sip. Mijn reisgenoot knikte. Na een half uur kwam de volgende bus naar Parangtritis. Hij zat vol Europeanen en Australiërs. Op het bankje achter de chauffeur zat het Amerikaanse stel en aan de andere kant van het gangpad de twee broers uit Schijndel.
"Waar komen jullie nou vandaan?" vroegen ze nieuwsgierig.
"We hebben even in dit dorp rondgekeken," antwoordden we. Ze keken ons bewonderend aan. Wij waren pas reizigers!
"Het was er heel ongerept," zei mijn reisgenoot, "bijzonder indrukwekkend, zo authentiek als het daar was. En dan die prachtige oude waringin-boom. Werkelijk fantastisch!"
's Avonds aten we in Parangtritis in een eethuis met rafelige bamboewanden. Het was een vervallen zaak, met wankele tafeltjes en plastic stoelen. Maar je kon er heerlijk eten en ze hadden er bier, dat ze in bevroren glazen schonken. Almelo zat er ook, aan een tafeltje tegenover de ingang. Ze hadden al gehoord van ons uitstapje.
"Kon je er logeren?" vroegen ze.
"Er was geen hotel," zeiden wij, "maar je kon natuurlijk om onderdak vragen, bij de mensen thuis. Dat vinden ze heel gewoon en het kost niet veel."
Het ene meisje knikte. "Kun jij je nou voorstellen wat mensen eraan vinden om met een georganiseerde reis mee te gaan?" vroeg ze aan haar vriendin, "dit is toch véél leuker?"
Wij vielen haar alledrie enthousiast bij. Nee, zo'n georganiseerde reis, dat vonden wij maar niks. Mijn reisgenoot en ik bestelden nog een biertje.
Het beeldschone meisje dat ons bediende, glimlachte stralend en diepte twee nieuwe bevroren glazen op uit de ijskast. Ze schonk het bier zorgvuldig in. Ongelooflijk lekker bier.


Junior: Indonesië